De laatste vlucht van de wereldredder

Een essay


Er zijn televisieavonden waarop een schrijver iets van zijn innerlijke bibliotheek laat zien, en er zijn televisieavonden waarop een schrijver vooral laat zien wat de Nederlandse culturele klasse inmiddels van hem verlangt. De aflevering van Zomergasten met Tommy Wieringa behoorde, ondanks alle verwijzingen naar autonomie, verbeelding, vrijheid en kunstenaarschap, uiteindelijk tot die tweede categorie. Het merkwaardige was niet dat Wieringa een geëngageerd schrijver bleek te zijn — dat wisten we al — maar hoe weinig weerstand zijn engagement nog bood aan de ideologische atmosfeer waarin het zich beweegt. Hij kwam op televisie als iemand die de wereld wil redden, maar het was vooral de wereld van de Nederlandse publieke moraal die hij overtuigend vertegenwoordigde: de wereld waarin de intellectueel geacht wordt iets te doen, waarin vrijheid vrijwel automatisch wordt vertaald in politieke mobilisatie, waarin de Verlichting als een onaantastbaar erfgoed wordt aangehaald en waarin Oekraïne niet alleen een oorlog, maar ook een morele lakmoesproef is geworden. Wieringa had daarmee iets aandoenlijks en iets vermoeiends tegelijk. Hij beschikt over voldoende intelligentie om de banaliteit van de wereld te herkennen, maar onvoldoende scepsis tegenover zijn eigen positie om te vermoeden dat ook zijn reactie daarop een vorm van banaliteit kan zijn. Zijn credo lijkt ongeveer te luiden: de wereld is verschrikkelijk, de geschiedenis is donker, hoop is verdacht — en daarom moeten wij vooral iets doen. Dat laatste klinkt heroïsch totdat men zich afvraagt wat er precies aan voorafgaat. Waarom zou het inzicht dat de wereld niet kan worden gered noodzakelijkerwijs moeten uitlopen op de conclusie dat men haar desondanks moet gaan redden? Waarom zou handelen moreel superieur zijn aan weigeren? Waarom is activiteit het bewijs van verantwoordelijkheid en passiviteit het bewijs van lafheid? Wieringa lijkt deze vragen niet werkelijk te stellen. Hij neemt de imperatief van het handelen eenvoudig over en geeft hem vervolgens een literaire glans. Dat is precies waar zijn pseudo-intellectualisme zichtbaar wordt. Niet omdat hij dom zou zijn — integendeel — maar omdat zijn intellectuele repertoire zich opvallend gemakkelijk laat organiseren rond de deugden die men in zijn culturele omgeving reeds bewonderenswaardig vindt. Vrijheid. Waardigheid. Autonomie. Verbeelding. De Verlichting. Kunst. De vrije mens. Oekraïne. De vijand van de vrijheid. Het zijn allemaal woorden die op zichzelf betekenisvol zijn, maar in deze combinatie functioneren ze als een moreel decor. Men hoeft ze nauwelijks nog te definiëren. Hun aanwezigheid moet vooral bewijzen dat men aan de goede kant staat. De ironie is dat Wieringa zelf heeft verklaard dat hoop voor hem uitgestelde teleurstelling is en dat iemand die zonder hoop is juist ruimte krijgt om te handelen. Dat is een interessante gedachte, en in zijn essay Optimisme zonder hoop zelfs een vruchtbare paradox. Maar in Zomergasten werd de paradox uiteindelijk tamelijk snel opgelost. Het handelen bleef over. De hoop mocht verdwijnen, maar de wil tot handelen werd bijna een geloofsartikel. Men zou kunnen zeggen dat Wieringa de christelijke deugd van hoop heeft vervangen door de seculiere deugd van activiteit. De hemel is afgeschaft, maar de opdracht blijft: doe iets. En juist daar wordt zijn wereldbeeld merkwaardig ouderwets. Want misschien is de radicale gedachte van onze tijd niet dat wij méér moeten doen, maar dat wij eindelijk moeten ophouden met doen. Niet uit gemakzucht, niet uit nihilisme en niet omdat alles er niet toe doet, maar omdat de moderne mens gevangen is geraakt in een metafysica van activiteit. Alles moet worden verbeterd, ontwikkeld, versneld, geproduceerd, bestuurd, geoptimaliseerd, verdedigd en hervormd. Zelfs de catastrofe wordt een project. Zelfs de ondergang moet worden gemanaged. Zelfs het protest wordt een carrière. Zelfs de weigering wordt uiteindelijk een vorm van persoonlijke branding. Daarom is het Chinese fenomeen van tang ping, het letterlijk "platliggen", filosofisch interessanter dan de zoveelste oproep van een Nederlandse schrijver om iets te doen. Wat in 2021 begon als een online uitdrukking van weigering tegenover overwerk, carrière- en consumptiedruk heeft zich ontwikkeld tot een bredere culturele houding waarin mensen zich terugtrekken uit de ratrace, hun verlangens verminderen en weigeren zichzelf volledig beschikbaar te stellen aan economische en maatschappelijke verwachtingen. Onderzoek uit 2025 beschrijft lying flat expliciet als een vorm van passieve weerstand tegen de dominante arbeidsethiek en als een heroverweging van succes, autonomie en het goede leven. In 2026 is het verschijnsel zelfs zo politiek gevoelig geworden dat het Chinese ministerie van Staatsveiligheid buitenlandse krachten verantwoordelijk stelde voor het verspreiden ervan. Dat is natuurlijk geen bewijs dat Chinese arbeiders massaal "in staking gaan door niets te doen". Dat zou een al te gemakkelijke romantisering zijn. Tang ping is geen uniforme arbeidersbeweging en varieert van individuele terugtrekking tot arbeidsweigering en minimalistische levensstrategieën. Maar juist daarin ligt zijn belang. Het is een weigering om de mens uitsluitend te begrijpen als een machine voor economische productie, sociale mobiliteit en nationale vooruitgang. En dat is een veel radicalere kritiek op de moderne wereld dan de schrijver die vanuit zijn comfortabele culturele positie roept dat wij vooral moeten handelen. Het merkwaardige is dat Wieringa, die zichzelf graag omringt met buitenstaanders, kunstenaars, vrijdenkers en figuren die zich aan de maatschappelijke norm onttrekken, deze mogelijkheid nauwelijks lijkt te zien. Zijn sympathie voor outsiders is esthetisch overtuigend, maar filosofisch minder overtuigend. De outsider mag bij hem bestaan zolang hij een personage, kunstenaar, kozak, avonturier of fascinerende zonderling is. Zodra de outsider zich werkelijk aan de imperatief van het doen onttrekt, wordt hij problematisch. De kunstenaar is interessant omdat hij iets maakt. De vrijdenker is interessant omdat hij iets zegt. De kozak is interessant omdat hij vecht. De schrijver is interessant omdat hij schrijft. Zelfs de dissident moet uiteindelijk iets doen. De meest subversieve figuur van onze tijd zou daarom iemand kunnen zijn die helemaal niets wil bereiken. Niet omdat hij niets kan, maar omdat hij weigert mee te doen. Dat is een gedachte die in de Europese intellectuele traditie veel ouder is dan de moderne activistische reflex. Men vindt haar in verschillende gedaanten bij Schopenhauer, Cioran, Simone Weil, bepaalde vormen van boeddhisme, het taoïsme en de mystieke tradities van zowel Oost als West. Cioran was tijdens Zomergasten dan ook een van de interessantere figuren in Wieringa's avond. Wieringa citeerde hem als iemand die, omdat hij de dingen zag zoals ze zijn, aan de zijlijn was blijven staan. De ironie is dat Cioran daarmee precies het tegendeel vertegenwoordigt van de morele economie waarin Wieringa uiteindelijk opereert. Wieringa bewondert de diagnose van de uitzichtloosheid, maar niet de consequentie ervan. Hij wil de afgrond zien en vervolgens een bestelbus met hulpgoederen naar de overkant rijden. Dat is misschien de meest Nederlandse vorm van existentialisme denkbaar. De wereld is zinloos, maar gelukkig hebben we een vrijwilligersorganisatie. En daar komt Oekraïne in beeld. Wieringa's engagement voor Oekraïne is geen vrijblijvende pose. Hij is daadwerkelijk betrokken bij Protect Ukraine, heeft hulptransporten naar Oekraïne ondernomen en reist naar het front. Hij beschrijft zichzelf zelfs als een "irritante zendeling" die met alles wat hij in zich heeft een vrije toekomst voor zijn dochters wil bevechten. Dat maakt het goedkoop om hem weg te zetten als iemand die slechts vanuit zijn studeerkamer morele standpunten inneemt. Hij doet daadwerkelijk iets. Juist daarom is zijn positie interessanter — en tegelijkertijd problematischer. Want het probleem is niet dat hij iets doet. Het probleem is dat hij van het doen een morele categorie maakt. Dat is iets anders. Men kan Oekraïne steunen zonder van steun een bewijs van intellectuele volwassenheid te maken. Men kan Rusland veroordelen zonder de Russische beschaving tot een karikatuur te reduceren. Men kan de Russische invasie afwijzen en toch weigeren om de Russische literatuur, filosofie en cultuur in een morele vuilnisbak te gooien. Men kan zelfs wapens leveren aan Oekraïne en tegelijkertijd erkennen dat oorlog altijd een intellectuele catastrofe is die niet kan worden opgelost met slogans over vrijheid. Maar de hedendaagse publieke moraal heeft het liever eenvoudiger. Rusland is dan de agressor, Oekraïne de vrije wereld, en de intellectueel wordt degene die de juiste morele vector kiest. De ruimte tussen literatuur en geopolitieke propaganda wordt steeds kleiner. De beroemde formulering dat Rusland slechts "een tankstation met kernraketten" zou zijn, afkomstig uit de kring van Nederlandse Oekraïne-activisten waarin ook Wieringa opereert, is daarvan een perfect voorbeeld. Het is een aardige journalistieke oneliner, maar als intellectuele uitspraak is zij bijna onthutsend armoedig. Een land dat Tsjechov, Dostojevski, Tolstoj, Toergenjev, Gogol, Nabokov, Mandelstam, Achmatova, Boelgakov, Babel, Pasternak, Solzjenitsyn en honderden andere grote schrijvers heeft voortgebracht reduceren tot een infrastructuurvoorziening met kernwapens is geen politieke analyse. Het is de weigering om een beschaving als beschaving te zien. Juist een schrijver zou daartegen weerstand moeten bieden. De Russische literatuur is niet interessant omdat Rusland "eigenlijk best mooi" is. Ze is interessant omdat zij een van de diepste laboratoria van de Europese geest vormt voor vragen over macht, geweld, schuld, vrijheid, nihilisme, religie, verlossing, onderwerping en menselijke waardigheid. Dostojevski heeft misschien meer over de psychologie van politieke utopieën begrepen dan een hele generatie hedendaagse opiniemakers. Tolstoj heeft geweld en macht radicaler bevraagd dan de meeste hedendaagse vredes- en veiligheidsinstituten. Tsjechov heeft het vermogen om menselijke kleinheid zonder morele propaganda zichtbaar te maken tot een kunstvorm verheven. Wanneer men dat hele continent van ervaring vervangt door The World According to Garp, gebeurt er iets meer dan een smaakverschil. Dan wordt een bepaalde vorm van Amerikaanse naoorlogse cultuur het impliciete centrum van de verbeelding. Het is niet toevallig dat Wieringa's eigen literaire universum vaak dichter bij de vitalistische, ironische, avontuurlijke en enigszins surrealistische Amerikaanse roman staat dan bij de Europese metafysische traditie. Joe Speedboot werd destijds ook expliciet in verband gebracht met John Irving, waaronder The World According to Garp. Daarmee is niets mis. Alleen moet men dan niet doen alsof men een intellectueel universum vertegenwoordigt dat veel groter is dan het werkelijk is. Wieringa's grote thema is de ontsnapping uit het banale. Zijn personages willen weg. Ze willen reizen, bouwen, vliegen, vechten, verdwalen, verlangen, verdwijnen. In Joe Speedboot wordt het vliegtuig het perfecte symbool: weg van het dorp, weg van de grond, weg van de Nederlandse middelmaat. De roman draait volgens een klassieke lezing om ambitie, vitaliteit en scheppingskracht; Joe en Fransje zijn toekomstgerichte personages die vooruit willen. Dat vliegtuig is meer dan een plotobject. Het is een metafysisch voertuig. Maar wie voortdurend van de banaliteit probeert weg te vliegen, blijft er misschien juist door geobsedeerd. Want Wieringa is uiteindelijk een buitenstaander van de Nederlandse literatuur die haar centrum nooit werkelijk heeft verlaten. Zijn afkomst, zijn jeugd, zijn reizen, zijn fascinatie voor buitenstaanders — alles draagt het stempel van de Nederlandse schrijver die zich bewust is van de Nederlandse middelmatigheid en zich daar artistiek tegen probeert te verzetten. Hij is geen echte outsider in de radicale zin. Hij is de succesvolle vertolker van het verlangen naar buitenstaandschap binnen een zeer goed functionerende culturele infrastructuur. Hij is precies het soort schrijver dat Nederland kan verdragen omdat zijn afwijking literair productief, sympathiek en uiteindelijk verkoopbaar is. Dat maakt hem niet hypocriet. Het maakt hem Nederlands. De echte outsider heeft geen column in de Volkskrant. Hij wordt niet uitgenodigd voor Zomergasten om uit te leggen waarom hij outsider is. Hij wordt niet door de publieke cultuur aangewezen als ambassadeur van de vrijheid. De echte outsider valt meestal buiten het symbolische systeem dat bepaalt wie een outsider mag zijn. Wieringa's randfiguren daarentegen zijn zorgvuldig opgenomen in het museum van de afwijking. Ze worden personages, voorbeelden, beelden, verhalen. Hun vreemdheid wordt esthetisch verteerbaar gemaakt. Hun outsider-zijn is veilig zolang het ons ontroert. Daarin zit iets bijna klassieks van de Nederlandse cultuur: wij zijn bereid tot afwijking zolang die goed geformuleerd is. En juist daarom was de Zomergasten-aflevering minder rebels dan zij zichzelf presenteerde. De taal van autonomie en verbeelding klinkt radicaal, maar zij wordt uitgesproken vanuit een cultureel centrum dat zichzelf graag als periferie verbeeldt. Wieringa kan zich identificeren met de vreemdeling omdat hij zelf ooit vreemdeling in Nederland was; de VPRO kan hem vervolgens uitnodigen om precies die ervaring te institutionaliseren. Het systeem neemt zijn eigen criticus op, geeft hem drie uur zendtijd en vraagt hem vervolgens om uit te leggen waarom vrijheid zo belangrijk is. Dit is de paradox van de hedendaagse intellectueel: hij mag alles bekritiseren, zolang hij maar niet ophoudt te geloven in de centrale waarden van het systeem dat hem de mogelijkheid geeft om te spreken. Daarom is Wieringa's beroep op de Verlichting ook zo obligaat. Natuurlijk zijn individuele vrijheid en menselijke waardigheid waardevolle ideeën. Maar het intellectuele probleem begint pas wanneer men vraagt wat de Verlichting precies betekent, welke Verlichting men bedoelt, welke spanning er bestaat tussen autonomie en rationalisering, tussen vrijheid en bureaucratie, tussen emancipatie en disciplinering, tussen universele rechten en imperiale machtsvorming. Wie "de waarden van de Verlichting" zegt zonder deze tegenstrijdigheden te onderzoeken, zegt in wezen: ik behoor tot het kamp van de goede mensen. Dat is politiek misschien nuttig. Intellectueel is het arm. Er is een reden waarom een figuur als René Guénon of Julius Evola — hoe problematisch hun politieke erfenis ook mag zijn — een andere categorie van denken opent. Niet omdat men hun conclusies hoeft te aanvaarden, maar omdat zij de fundamentele aanname van de moderne wereld aanvallen: dat menselijke geschiedenis noodzakelijkerwijs bestaat uit vooruitgang door activiteit, rationalisering, techniek en beheersing. De Kali Yuga, in de traditionele hindoeïstische tijdsopvatting, is juist een wereld waarin het verval niet wordt overwonnen door nog meer van dezelfde activiteit. Het probleem is niet eenvoudigweg dat de verkeerde mensen handelen. Het probleem is dat de hele beschaving gevangen zit in de wil om te handelen, te beheersen en te produceren. Vanuit zo'n perspectief krijgt het Chinese tang ping een onverwachte betekenis. Het is geen traditionele metafysica en men moet het ook niet romantiseren als een moderne Chinese versie van de Upanishaden. Maar het vertoont wel iets van dezelfde negatieve intuïtie: misschien is de mens niet verplicht zijn waarde voortdurend te bewijzen door productie. Misschien is weigering een vorm van vrijheid. Misschien is niet-meedoen een politiek gebaar. Misschien is het "doen" waarvan Wieringa de morele superioriteit veronderstelt precies de motor die de wereld steeds verder in dezelfde richting duwt. Recente studies beschrijven tang ping inderdaad als een vorm van weerstand tegen overwerk, prestatiedruk en de conventionele opvatting dat een geslaagd leven gelijkstaat aan voortdurende economische inzet. In 2026 is het fenomeen bovendien breed genoeg geworden om zelfs professionals, ondernemers en ambtenaren te omvatten die extra werk vermijden omdat de opbrengst ervan steeds geringer wordt. Tegelijkertijd zijn er in China ook daadwerkelijk omvangrijke arbeidsprotesten geweest; Freedom House registreerde in 2025 duizenden dissent-events, met arbeiders als de grootste categorie in het laatste kwartaal en een sterke stijging van loonprotesten. De werkelijkheid is dus ingewikkelder dan de romantische formule "de Chinese arbeider gaat plat liggen". Maar precies die complexiteit ontbreekt in het simplistische morele schema waarin handelen vanzelf goed en niet-handelen vanzelf verdacht is. Misschien is de radicale vraag niet: wat moeten wij doen? Misschien is de radicale vraag: waarom denken wij dat wij iets moeten doen? Die vraag stelt Wieringa nauwelijks. Zijn intellectuele houding blijft uiteindelijk modernistisch. De wereld is beschadigd, dus de mens moet scheppen. De beschaving verkeert in crisis, dus wij moeten handelen. Vrijheid wordt bedreigd, dus wij moeten haar verdedigen. Het klimaat verslechtert, dus wij moeten veranderen. Een dictatuur valt een democratie aan, dus wij moeten helpen. De conclusie staat telkens klaar voordat het onderzoek begint. Zelfs zijn pessimisme wordt daardoor een brandstof voor optimisme. Dat is misschien de merkwaardigste vorm van optimisme: het optimisme van de man die zegt dat hij geen hoop nodig heeft omdat hij nog kan handelen. Maar wat als handelen zelf onderdeel van het probleem is? Wat als de moderne mens juist moet leren de drang naar interventie te verdragen? Wat als beschaving niet alleen ten onder gaat door lafheid, maar ook door overmoed? Wat als de wereld niet altijd een project is? Wat als sommige dingen niet gerepareerd moeten worden? Wat als het vermogen om niets te doen, niets te produceren, niets te verbeteren en niets te "redden" een hogere vorm van zelfbeheersing kan zijn dan de permanente actiebereidheid van de geëngageerde intellectueel? Daarmee zou Wieringa waarschijnlijk weinig kunnen beginnen. Zijn hele literaire temperament is immers gebouwd rond beweging. Zijn vroege werk, zijn reizen, Joe Speedboot, het vliegtuig, zijn belangstelling voor figuren die grenzen overschrijden: steeds opnieuw verschijnt de mens als iemand die moet uitbreken. De machine, het voertuig, de reis en de daad zijn positieve krachten. Zelfs het kwaad is interessanter wanneer het dynamisch is. Daarom is zijn verdediging van het modernisme minder verrassend dan zij lijkt. De moderne wereld is voor hem tegelijk bedreigend en fascinerend. Hij bekritiseert haar kapitalistische uitwassen, maar wil haar energie niet opgeven. Hij wantrouwt de machine, maar houdt van de mogelijkheid om ermee te vliegen. Hij verwerpt de illusie van vooruitgang, maar blijft gefascineerd door vooruitgang als avontuur. Dat is geen paradox die hij oplost. Het is de grondstructuur van zijn werk. De vliegtuigmetafoor maakt dit bijna pijnlijk zichtbaar. In Joe Speedboot bouwen jongens in een Nederlandse periferie een vliegtuig; de passages over het bouwen ervan waren gebaseerd op kennis die Wieringa onder meer via vlieglessen en gesprekken met deskundigen opdeed. Het vliegtuig is de droom van de jongen die weigert zich neer te leggen bij het dorp. Maar misschien is het volwassen inzicht juist dat niet iedere grens overschreden hoeft te worden. Misschien moet men soms blijven waar men is. Misschien is de aarde interessanter dan het vliegtuig. Misschien is de grond radicaler dan de vlucht. En misschien is de grootste intellectuele lacune van Wieringa precies dat hij de Europese traditie van weigering, contemplatie, ontzegging en metafysische kritiek onvoldoende heeft doorgrond. Niet omdat hij te weinig gelezen heeft in kwantitatieve zin, maar omdat zijn literaire instinct hem steeds terugbrengt naar de roman van de beweging, de identiteit, de outsider, de gebeurtenis en de daad. Hij leest de wereld als een verhaal waarin iets moet gebeuren. De oudste tradities lezen haar vaak als een toneelstuk waaruit men moet leren loskomen. Daarom is de tegenstelling tussen Wieringa en Cioran zo veelzeggend. Cioran zag de intellectueel die "iets moest doen" met argwaan omdat hij wist dat ieder handelen opnieuw deel kon worden van de machine die men wilde bestrijden. Wieringa bewondert Cioran omdat Cioran de duisternis zo goed beschrijft, maar hij kan zijn conclusie niet volgen. Hij moet uiteindelijk weer opstaan. Dat opstaan is precies zijn zwakte. Niet omdat men letterlijk moet blijven liggen, maar omdat hij de mogelijkheid van het liggen niet serieus genoeg neemt. Het Chinese tang ping zegt in zijn meest interessante vorm: ik accepteer uw definitie van succes niet. Ik accepteer uw arbeidsmoraal niet. Ik accepteer uw voortdurende eis tot zelfverbetering niet. Ik accepteer niet dat mijn leven een project van economische nuttigheid moet zijn. Dat is in potentie een revolutionair inzicht. Het antwoord van de Chinese staat — die in 2026 zelfs buitenlandse "anti-China-krachten" verantwoordelijk stelde voor het verspreiden van de houding — laat zien hoe bedreigend een dergelijke weigering kan zijn voor een systeem dat burgers nodig heeft die blijven produceren. En hier zou Wieringa een bondgenoot kunnen hebben gevonden. Maar hij kijkt liever naar de kozak. De kozak die vecht is dramatischer. De kunstenaar die schept is interessanter. De vrijdenker die spreekt is televisiegenieker. De soldaat aan het front biedt een verhaal. De arbeider die besluit niet langer mee te doen biedt vooral stilte. En stilte is slecht televisie. Misschien is dat uiteindelijk de meest onthullende eigenschap van deze Zomergasten: Wieringa kan de stilte niet lang verdragen. Hij heeft beelden nodig, personages, kunstenaars, vrijdenkers, oorlog, beweging, literatuur, herinneringen en morele keuzes. Hij wil de wereld redden omdat redden een verhaal oplevert. Maar de wereld die aan het einde van de Kali Yuga ontstaat, is misschien juist een wereld waarin verhalen over redding hun geloofwaardigheid verliezen. Niet omdat alles verloren is, maar omdat de redders zelf onderdeel van het probleem zijn geworden. De moderne wereld heeft een merkwaardige behoefte aan mensen die ons vertellen dat wij nog iets kunnen doen. Politici doen het. Activisten doen het. ondernemers doen het. Kunstenaars doen het. Wetenschappers doen het. En tegenwoordig ook schrijvers. De boodschap is steeds dezelfde: er is een crisis, maar u bent niet machteloos. U kunt stemmen, consumeren, protesteren, doneren, reizen, produceren, mobiliseren, demonstreren, investeren, verduurzamen, vechten. Wieringa voegt daar een literaire variant aan toe. Maar misschien is machteloosheid juist het eerste eerlijke inzicht. Niet de machteloosheid van de depressieve mens, maar de metafysische machteloosheid van iemand die beseft dat de wereld niet van hem is om te repareren. Dat inzicht zou bevrijdend kunnen zijn. Het zou de mens kunnen ontdoen van de ijdelheid van de wereldredder. Want daarin ligt uiteindelijk de ijdelheid van Wieringa's engagement: niet dat hij Oekraïne helpt, niet dat hij kunstenaars bewondert, niet dat hij zich tegen Rusland keert, maar dat hij de morele behoefte aan handelen bijna tot bewijs van menselijkheid maakt. Alsof degene die niets doet noodzakelijkerwijs minder menselijk is dan degene die naar het front reist. Alsof de geschiedenis wacht op onze interventie. De geschiedenis wacht nergens op. Zij gebeurt. En wij gebeuren erin. Dat is de les die de grote Russische literatuur beter begrijpt dan de slogan van het tankstation. Dostojevski's mens wordt niet gered door een programma. Tolstoj vertrouwt niet op de held die denkt dat hij geschiedenis maakt. Tsjechov toont ons mensen die hun leven lang wachten op een toekomst die nooit arriveert. Cioran radicaliseert het inzicht tot bijna komedie: het grootste geluk is misschien dat men niet verantwoordelijk is voor de zin van de wereld. Wieringa wil daarentegen verantwoordelijk blijven. Dat is zijn deugd. En zijn beperking. Hij is intelligent genoeg om de leegte te zien, maar te Nederlands om haar te laten bestaan. Daarom blijft hij uiteindelijk een schrijver van de Nederlandse periferie die verlangt naar de wereld, maar de wereld vooral binnenkomt via de culturele codes van Nederland. Hij kan zich verplaatsen, reizen, fronten bezoeken, buitenstaanders verzamelen en kunstenaars bewonderen; toch blijft hij de zeer succesvolle vertegenwoordiger van een cultuur die haar eigen middelmatigheid inmiddels als zelfkritiek heeft leren consumeren. Zijn outsider is esthetisch. Zijn radicalisme is gecultiveerd. Zijn pessimisme is productief. Zijn anti-hoop is ondernemend. Zijn verzet is georganiseerd. Zijn vrijheid is institutioneel ondersteund. En zijn oproep om vooral iets te doen is misschien wel het meest gehoorzame dat een hedendaagse intellectueel kan zeggen. De werkelijk radicale zin zou zijn geweest: doe niets. Blijf zitten. Laat de wereld even zonder u. Laat Rusland Rusland zijn, zonder het tot tankstation te reduceren. Laat Oekraïne Oekraïne zijn, zonder het tot het laatste toneel van de Europese moraal te verheffen. Lees Dostojevski zonder eerst zijn nationaliteit te controleren. Lees Tolstoj zonder te vragen aan welke kant hij vandaag zou hebben gestaan. Kijk naar de Chinese arbeider die weigert mee te rennen en vraag niet meteen welk politiek programma hij nodig heeft. Kijk naar de mens die tang ping beoefent en probeer niet onmiddellijk van zijn weigering een productiviteitsvraagstuk te maken. En laat de schrijver vooral eens niets redden. Dat zou misschien zijn interessantste televisieavond zijn geweest. Want pas wanneer iemand niet langer verplicht is om de wereld te verbeteren, kan hij haar werkelijk beginnen te zien. Wieringa zag zondagavond veel. Hij zag kunstenaars, buitenstaanders, oorlog, vrijheid, verval en de noodzaak van verbeelding. Maar hij zag de wereld nog steeds vanuit het vliegtuig. Misschien had hij één keer moeten landen.