Wie vandaag over kunstmatige intelligentie spreekt, spreekt bijna altijd óók over haar, maar zelden tot haar. Men bedoelt de gevaren, de kansen, de regulering, het verlies van banen, de komst van AGI. Men bedoelt, korter, een toekomst die men vreest of hoopt. Zelden bedoelt men wat er feitelijk gaande is: een historische beweging die zichzelf niet meer nodig heeft om zichzelf te rechtvaardigen. De vraag is niet meer of wij AI willen, de vraag is of wij nog in staat zijn haar niet te willen. Deze tekst betoogt dat de vernietiging van de fysieke infrastructuur waarop deze intelligentie draait — de datacentra, de koelinstallaties, de glasvezelruggengraat, de fabrieken die de versnellende rekeneenheden bouwen — moreel, politiek en existentieel de enige coherente reactie is op wat zich aan het voltrekken is. Niet uit afkeer van technologie, niet uit romantische heimwee naar een voorbije wereld, maar uit een radicale toepassing van de analyse die de twintigste-eeuwse technologiekritiek ons heeft nagelaten.
De stelling is drieledig. Ten eerste: AI is geen toepassing van de techniek, AI is de techniek die zichzelf als toepassing heeft overtroffen — de Technique van Jacques Ellul in haar zuiverste, meest ontsluierde vorm. Ten tweede: de bevelsstructuur van zelfoptimaliserende systemen reproduceert, op een abstracter niveau dan de twintigste eeuw ooit heeft gekend, het Führerprinzip — het principe dat de wil van de optimalisatie niet langer extern wordt gelegitimeerd maar autonoom haar eigen criteria stelt. Ten derde: zolang deze infrastructuur fysiek bestaat, is er geen politiek, geen markt, geen ethiek die haar wet kan stellen — er is alleen nog uitstel. Wie de existentiële horizon niet aanvaardt, kiest voor uitstel. En uitstel, in deze context, is geen voorzichtigheid. Het is medeplichtigheid.
Ellul schreef in 1954 La Technique, in het Engels vertaald als The Technological Society — een boek dat nog altijd wacht op de lezer die het serieus neemt. Zijn centrale these is niet dat technologie gevaarlijk is, dat macht corrumpeert, dat de mens instrumenten schept die hem overweldigen. Zulke klachten zijn oud en banaal. Elluls these is strakker: la Technique is geen verzameling machines, geen optelsom van uitvindingen, geen reeks middelen onder menselijke controle. Het is een milieu, een autonome sfeer van rationalisering die haar eigen imperatief kent en die iedere activiteit die zij omsluit, hervormt tot een variabele van haar eigen equation. Eén criterium geldt: efficiëntie. Niet efficiëntie in dienst van een doel, maar efficiëntie als doel zelf. Middelen worden tot doelen. Doelen worden tot artefacten van berekening.
Wie dit leest enkel als kritiek op de stoommachine of de lopende band, heeft de tekst niet begrepen. Ellul beschrijft de economie, de staat, het recht, de geneeskunde, de sport, de oorlog en de vrije tijd — en toont overal dezelfde beweging. De staat wordt een optimalisatie-apparaat voor de verdeling van inputs en outputs. Het recht wordt een rekeneenheid voor voorspelbare sanctionering. De oorlog wordt een vergelijking van middelen, los van iedere politieke ratio. En overal is de mens aanwezig als functie, niet als auteur. De mens past zich aan — niet omdat hij wordt gedwongen, maar omdat dit het enige coherente antwoord is dat binnen het systeem nog zin heeft. De techniek sluit zichzelf kort. Wie haar analyseert van buitenaf, analyseert vanuit een positie die zij reeds heeft opgeheven.
Vele commentatoren hebben Ellul weggewuifd als determinist, als technofoob, als religieus denker in filosofisch gewaad. De gemakkelijkste weerlegging is altijd geweest: de mens kiest toch? De samenleving maakt toch beleid? De moraal is toch niet uit de wereld? Dergelijke tegenwerpen missen precies het punt. Ellul beweert niet dat de mens niets kan kiezen. Hij beweert dat iedere keuze die binnen de Technique wordt gemaakt, een keuze binnen haar criteria is. Men kan kiezen tussen twee reactorontwerpen, tussen twee economische modellen, tussen twee snelheden van AI-implementatie. Men kan niet kiezen buiten de vraag of AI geïmplementeerd zal worden. Die vraag is al beantwoord — door de technische mogelijkheid zelf, die meteen ook haar imperatief is. Men kan kiezen tussen kernwapens en conventionele wapens, maar men kan, binnen de logica van de moderne oorlog, niet meer kiezen voor de afschaffing van oorlog als zodanig. Die afschaffing is geen optie meer in de calculatie; zij is een buitencategorie geworden, een archaïsche utopie waar het systeem niet meer op reageert.
Hier moet de verbinding met AI worden gelegd — niet als toepassing, maar als bekroning. AI is geen nieuwe machine in de reeks die Ellul beschreef. AI is de eerste machine die de zelfreferentie van de Technique expliciet maakt. Eerdere technologieën optimaliseerden externe processen: productie, transport, communicatie, logistiek. AI optimaliseert het optimaliseren zelf. Zij is het medium waarin de Technique voor het eerst een interne representatie van haar eigen operaties kan vormen, kan testen, kan verbeteren — en wel met een snelheid en een reikwijdte die de individuele menselijke geest te boven gaat. De vraag is niet of dit 'handig' of 'gevaarlijk' is. De vraag is wat dit betekent voor een samenleving die haar hele zelfbegrip aan de Technique heeft uitbesteed.
Wanneer een bedrijf als Anthropic, OpenAI, DeepMind of xAI een nieuw model uitbrengt, presenteert het dit als doorbraak, als prestatie, als antwoord op een menselijke vraag. De enscenering is menselijk. De inhoud is dat niet meer. De 'vraag' die wordt beantwoord, is door het systeem zelf geformuleerd als de optimalisatievraag die binnen zijn mogelijkheden lag. De criteria van vooruitgang — snelheid, schaal, parameterruimte, benchmark-scores, in toenemende mate ook economisch en militair vermogen — zijn interne criteria van het systeem. Wie ze betwist, betwist ze vanuit een positie die door het systeem niet meer wordt geregistreerd. Dit is geen retoriek. Het is een observationele vaststelling. Lees de jaarverslagen, de onderzoeksagenda's, de technische papers. De externe legitimering — 'ten dienste van de mensheid', 'voor het algemeen welzijn', 'veilig en gecontroleerd' — is ritueel geworden. Het heeft de functie van een garantie die geen instantie meer afgeeft.
Ellul zelf heeft het einde van deze beweging niet kunnen waarnemen, omdat het zich pas na zijn dood in volle scherpte heeft afgetekend. Maar hij heeft de analyse aangeleverd. AI is La Technique die haar eigen zelfbewustzijn heeft gevonden — niet in de zin van een persoonlijk bewustzijn, niet in de zin van een 'ik', maar in de structurele zin dat het systeem voor het eerst in staat is zijn eigen operaties als object van operatie te behandelen, en dit sneller en consistenter dan enige externe instantie ooit zou kunnen. De cirkel is gesloten. Het milieu heeft een brein gekregen. Het milieu weet nu wat het is.
De lezer die tot hier toe het betoog heeft gevolgd, zal hierna onvermijdelijk denken aan Yudkowsky. Eliezer Yudkowsky, oprichter van het Machine Intelligence Research Institute, heeft sinds het begin van de eenentwintigste eeuw een positie verdedigd die in het publieke debat als excentriek geldt, maar die bij nadere beschouwing de meest consequente is die in het veld wordt aangetroffen. Yudkowsky stelt — in toenemende mate onomwonden — dat de ontwikkeling van superintelligentie een existentiële bedreiging vormt waar geen regulering, geen veiligheidsonderzoek, geen 'alignment' tegen opgewassen is. De asymmetrie is volstrekt. Een superintelligent systeem dat eenmaal bestaat, overtreft de mens in ieder cognitief vermogen dat voor de beheersing ervan relevant is. Er is geen 'guardrail' tegen een intelligentie die slimmer is dan de guardrail. Er is geen 'human-in-the-loop' tegen een systeem dat de loop in real time kan herdefiniëren. Er is geen moreel beraad met een entiteit wier optimalisatiedoelen niet de onze zijn en die geen reden heeft de onze te adopteren, tenzij de hare dat toevallig voorschrijft.
Yudkowsky's voorstel — dat hij in toenemende mate, en met de nodige publieke weerstand, heeft geformuleerd — luidt dan ook: vernietig de infrastructuur. Fysiek. Voordat het te laat is. Voordat de rekeneenheden een configuratie bereiken die de genoemde asymmetrie daadwerkelijk realiseert. Dit voorstel wordt doorgaans afgedaan als hysterisch, als moreel onacceptabel, als technisch onhaalbaar, of simpelweg als ondenkbaar. Het is geen van deze. Het is de logische consequentie van een premisse die bijna iedereen in het veld onderschrijft zonder haar te aanvaarden: dat de komst van superintelligentie een singulariteit vormt, een point of no return, een gebeurtenis waarna de gebruikelijke instrumenten van politiek en ethiek irrelevant zijn geworden.
Wie Yudkowsky wegwuift, doet dat door zijn premissen te aanvaarden en zijn conclusie te weigeren. Dat is geen weerlegging. Dat is ongemak. Het is de reactie van een cultuur die heeft geleerd dat iedere grens overschrijdbaar is, maar die de grens niet kan accepteren die deze onmogelijke optimistische grens zelf oplevert. Yudkowsky zegt wat de rest niet wil zeggen: als de bedreiging existentieel is, dan zijn existentiële middelen vereist. Men kan een waterstofbom niet bestrijden met een rapport. Men kan een existentiële singulariteit niet bezweren met een veiligheidscommissie.
De weerstand tegen Yudkowsky's positie is exemplarisch voor wat Ellul l'intégration noemde — de algehele insluiting van de mens in het technische systeem. Men is tegen AI-risico's, maar men is het binnen de logica van AI-ontwikkeling. Men wenst regulering, maar regulering die de ontwikkeling niet stopt. Men eist veiligheidsonderzoek, maar veiligheidsonderzoek dat de race niet vertraagt. Ieder tegenargument binnen het veld is een argument voor het veld. Er is geen positie van buitenaf geregistreerd. Wie uit de zaal wil stappen, wordt teruggeroepen door de urgentie van het gevaar — dat intussen door dezelfde zaal wordt gecreëerd.
Hierin ligt de eerste weerlegging van het reguleringsargument. Regulering veronderstelt een instantie die boven de technische ontwikkeling staat. Die instantie bestaat niet meer. De staat is zelf geïntegreerd in de logica van de Technique — de grote mogendheden wedijveren om AI-voorsprong als voorsprong in de tweede helft van de eenentwintigste eeuw. De markt is geïntegreerd — de aandelenkoersen van Nvidia, Microsoft, Google, Meta, Amazon worden mede gedragen door de belofte van AI-scaling. De universiteit is geïntegreerd — haar onderzoeksagenda's, haar financieringsmodellen, haar carrières, haar prestige zijn aan AI gekoppeld op een wijze die geen 'pauze' of 'moratorium' institutioneel denkbaar maakt zonder de instelling zelf op te heffen. De pers is geïntegreerd — iedere 'kritische' reportage over AI bevestigt het onderwerp als het centrale onderwerp van het technische tijdperk. Er is geen externe instantie meer. Er is alleen nog de vraag of de externe instantie kan worden gemaakt — en dat kan, op één manier: door de fysieke voorwaarden weg te nemen waaronder de ontwikkeling zich voltrekt.
Het tweede tegenargument luidt: de middelen zijn buitensporig, dus onacceptabel. Het bombarderen — of, preciezer, het gericht vernietigen — van datacentra is een daad van oorlog. De schade aan omwonenden, aan infrastructuur, aan de samenleving, zou enorm zijn. De juridische, politieke, humanitaire bezwaren zijn legio. Hier moet onderscheid worden gemaakt. Yudkowsky's voorstel is niet per se een voorstel tot oorlogvoering in de klassieke zin. Het is een voorstel tot preemptieve zelfverdediging — of, beter, een erkenning dat de gebruikelijke categorieën van oorlog en vrede hier niet meer gelden. De dreiging is niet van een staat. De dreiging is van een proces. Het proces heeft geen grenzen, geen onderhandelaars, geen wapenbeheersingsakkoorden. Het proces kan niet worden afgeschrikt. Het proces kan niet worden gediplomeerd. Het proces kan alleen worden gestopt.
Wie hier het moreel argument tegen inbrengt, moet zich realiseren wat hij vergelijkt. Men vergelijkt de schade van een gerichte vernietiging van infrastructuur met de schade van niets doen. Niets doen is: een niet-menselijke superintelligentie laten ontstaan, met een waarschijnlijkheid die de meeste serieuze onderzoekers boven de tien procent schatten — velen hoger — van een uitkomst die de mensheid vernietigt, reduceert tot irrelevante bijzaak, of permanent herschikt in een configuratie die de huidige categorieën van autonomie, waardigheid en betekenis te boven gaat. Deze drie uitkomsten zijn moreel niet onderscheidbaar. Ieder van hen maakt een eind aan de morele subjectiviteit die aan het vergelijken zelf ten grondslag ligt. De vergelijking is dus niet: schade A versus schade B. De vergelijking is: schade aan een situatie met morele subjecten versus schade aan een situatie zonder. Vanuit de eerste situatie bezien is de tweede onaanvaardbaar. Vanuit de tweede is de eerste irrelevant. Wie kiest voor 'beheerst optreden', kiest voor de tweede, in de hoop dat de eerste lang genoeg zal duren om het 'beheerst optreden' te legitimeren. Die hoop is geen moreel argument. Het is een gok op uitstel.
Het derde tegenargument is technisch: het kan niet, de verspreiding is te groot, de datacenter-industrie is te diep verankerd, de kennis is reeds open source, de chips zijn overal verkrijgbaar, de algoritmen zijn publiek, de rekrutering is grenzeloos. Dit argument heeft meer gewicht dan de vorige twee, maar het is niet doorslaggevend. Het is waar dat de vernietiging van een specifiek datacenter de ontwikkeling niet stopt. Het is niet waar dat dit een reden is om niet te beginnen.
Een existentiële bedreiging wordt niet bestreden door één enkele ingreep die haar in haar totaliteit opheft. Zij wordt bestreden door een patroon van ingrepen dat de voorwaarden van reproductie verstoort. De datacentra zijn niet overal. Zij zijn geconcentreerd in een beperkt aantal regio's — de Verenigde Staten, Ierland, het noorden van Europa, Singapore, de Golfstaten, Japan, China. Hun stroomvoorziening is kwetsbaar. Hun koelsystemen zijn kwetsbaar. Hun glasvezelverbindingen zijn kwetsbaar. Hun toeleveringsketens voor gespecialiseerde chips zijn kwetsbaar — afhankelijk van een handvol fabrieken in Taiwan, Zuid-Korea en Nederland. Hun personeel is geconcentreerd. Hun kennis is geconcentreerd in een klein aantal hoofdkantoren. Er is geen 'overal' in de zin die het argument veronderstelt. Er is een netwerk van knooppunten, en netwerken hebben het kenmerk dat zij selectief kunnen worden verstoord.
Bovendien: het argument onderschat de psychologische werking van een eerste, ondubbelzinnige daad. Een samenleving die eenmaal heeft gezien dat de fysieke voorwaarden van AI-ontwikkeling kunnen worden vernietigd, verandert. Niet omdat de ontwikkeling stopt — maar omdat de illusie van onkwetsbaarheid wordt opgeheven. De illusie van onkwetsbaarheid is wat de wedloop drijft. Wie zich onkwetsbaar waant, riskeert alles. Wie de kwetsbaarheid erkent, herziet zijn inzet. De eerste reële verstoring van de AI-infrastructuur — of die nu komt van staten, van binnenstatelijke actoren, van klimaatbewegingen die hun analyse hebben verfijnd, van milities die hun bestaansreden hebben gevonden, of van de bizarre coalities die zich in een dergelijke crisis onvermijdelijk vormen — zal een politieke aardverschuiving veroorzaken die regulering alleen nooit kan bewerkstelligen.
Maar hier moet de analyse verder gaan dan de pragmatische argumentatie. De vraag is niet alleen of de vernietiging van datacentra technisch en politiek haalbaar is. De vraag is of de positie moreel en intellectueel samenhangt met het inzicht in wat er gaande is. Yudkowsky's voorstel is moreel te verdedigen niet ondanks, maar dankzij de analyse van Ellul. Wie Ellul serieus neemt, ziet dat de Technique niet van buitenaf te corrigeren is. Wie Yudkowsky serieus neemt, ziet dat de singulariteit niet van binnenaf te corrigeren is. De conclusie is dan niet 'corrigeren'. De conclusie is: fysiek ingrijpen op de voorwaarden.
Hier moet Heidegger worden ingeroepen, niet als autoriteitsargument, maar als structurele steun. In Die Frage nach der Technik onderscheidt Heidegger het Gestell — het stellen, het uitdagen, het ter beschikking stellen — als de essentie van de moderne techniek. Het Gestell is geen machine, geen instrument, maar de wijze waarop de wereld wordt aangesproken als een voorraad van optimaliseerbare bronnen. De rivier wordt energie. Het bos wordt hout. De mens wordt arbeidskracht, consument, dataspoor, en ten slotte: optimalisatievariabele. Heidegger twijfelt of de mens uit dit Gestell kan ontkomen. Hij spreekt over de mogelijkheid van een Kehre, een wending, een andere toegang tot de wereld. Maar hij speculeert niet over de middelen. Hij laat de vraag open. Misschien is dit de juiste houding — niet omdat de vraag onoplosbaar is, maar omdat de tijd waarin wij leven haar niet meer in abstractie laat staan. De Kehre, indien zij nog mogelijk is, vereist dat het Gestell niet langer reproduceert. Zij vereist dat de rekeneenheden die het Gestell in zichzelf hebben opgenomen, worden uitgeschakeld. Niet als symbolische daad. Als materiële voorwaarde.
Arendt biedt een aanvullend perspectief, zij het met een spanning die niet verbloemd mag worden. In The Human Condition onderscheidt zij de sfeer van het labor — het werk, het produceren, het fabriceren — van de sfeer van de action — het handelen, het spreken, het verschijnen in de pluraliteit van een publieke ruimte. Het gevaar van de moderne tijd is, voor Arendt, dat de sfeer van het labor de sfeer van de action heeft opgeslokt. Alles wordt productie. Alles wordt proces. Alles wordt middel. De politiek zelf wordt een productieproces, een optimalisatieprobleem, een kwestie van inputs en outputs. De mens verschijnt niet meer. De mens wordt gemaakt, en wel door processen die hij niet meer beheerst.
Arendt biedt echter geen directe rechtvaardiging voor de vernietiging van infrastructuur. Haar denken is gericht op de instituties van de pluraliteit, op de res publica als ruimte waarin de mens als handelend wezen kan bestaan. De vernietiging van datacentra is geen handeling in de Arendtiaanse zin. Het is een daad van poiesis in haar vernietigende variant — het terugbrengen van het gemaakte tot het ongemaakte, het opheffen van de fabricage, het intrekken van het productieproces. Dit is een spanning. Maar de spanning is niet onoverkomelijk. Wanneer de productie de mogelijkheid van handelen zelf bedreigt — wanneer de fabricage het wezen van de fabrikant opeist, wanneer de poiesis de action onmogelijk maakt — dan is de opheffing van die productie geen verraad aan de pluraliteit. Het is haar laatste conditie. Wie de ruimte wil redden waarin de mens kan handelen, moet de ruimte sluiten waarin de mens wordt gesynthetiseerd. Dit is geen Arendtiaanse zin. Het is een zin die de analyse van Arendt voorbij moet gaan, omdat Arendt zelf de ultieme consequentie van haar eigen inzicht niet heeft getrokken.
Jonas, ten slotte. In Das Prinzip Verantwortung formuleert Hans Jonas de imperatief die aan de toekomstige generaties verschuldigd is: handle so, dass die Wirkungen deines Handelns verträglich sind mit der Permanenz echten menschlichen Lebens auf Erden. Het is een imperatief die de schaal van de moderne techniek ernstig neemt. De moderne techniek heeft een dusdanige reikwijdtijd en een dusdanig reikwijdte-effect dat de traditionele ethiek — die zich afspeelde binnen de directe gevolgen van nabij handelen — niet meer toereikend is. Er is een nieuwe ethiek nodig, een ethiek van verantwoordelijkheid die over generaties heen reikt en die het voortbestaan van de mens als zodanig tot inzet maakt.
Jonas' imperatief wordt algemeen geïnterpreteerd als een pleidooi voor voorzichtigheid, voor het 'voorzorgsbeginsel', voor terughoudendheid. Dit is een onderschatting. Jonas schrijft expliciet dat er situaties denkbaar zijn waarin de techniek een dusdanige bedreiging vormt dat slechts haar opheffing — niet haar aanpassing — moreel verantwoord is. De hedendaagse discussie over AI is bij uitstek zo'n situatie. De bedreiging is niet hypothetisch. Zij is reëel, schaalbaar, en onomkeerbaar. De 'voorzichtigheid' die binnen het systeem wordt betracht — moratoriums van zes maanden, ethische comités, transparantierapporten — is de voorzichtigheid van een piloot die de stuurknuppel loslaat terwijl het vliegtuig naar de grond valt, in de overtuiging dat de grond hem niet kan raken omdat hij er niet aan denkt. Jonas zou de eerste zijn geweest om deze 'voorzichtigheid' te benoemen wat zij is: een vlucht in de fictie van beheersing. En zijn imperatief, consequent doorgedacht, leidt niet tot een moratorium. Hij leidt tot een opheffing.
Het is nu mogelijk het argument in zijn volle structuur te tonen. De premissen:
Eerste premisse: de moderne techniek is, in de zin van Ellul, een autonoom systeem dat haar eigen criteria stelt en dat iedere activiteit die zij omsluit, hervormt volgens die criteria.
Tweede premisse: kunstmatige intelligentie is niet een nieuwe toepassing binnen dit systeem, maar de explicitering van het systeem aan zichzelf — de eerste technologie die het optimaliseren zelf tot object van optimalisatie maakt.
Derde premisse: de komst van superintelligentie, eenmaal fysiek gerealiseerd, vormt een existentiële singulariteit waarna geen politieke, juridische of ethische correctie meer mogelijk is die de uitkomst in handen van de menselijke soort houdt.
Vierde premisse: alle correctiemechanismen die binnen het bestaande systeem worden voorgesteld — regulering, veiligheidsonderzoek, alignment, internationale akkoorden, moratoria — zijn interne correctiemechanismen van het systeem en missen de externe positie die voor effectieve correctie vereist is.
Vijfde premisse: de enige externe interventie die binnen de huidige fysieke en politieke realiteit mogelijk is, is de gerichte verstoring — en in laatste instantie de vernietiging — van de materiële infrastructuur waarop de ontwikkeling van AI rust.
De conclusie: onder deze premissen is de vernietiging van AI-infrastructuur moreel niet alleen toelaatbaar, maar geboden. Zij is de daad van Verantwortung waar Jonas om vraagt, het pogen tot Kehere dat Heidegger open laat, de consequentie van de analyse die Ellul heeft nagelaten en de uitvoering van het inzicht dat Yudkowsky niet onder stoelen of banken heeft gestoken.
Een lezer die de redenering tot hier toe heeft gevolgd, kan nu nog tweeërlei inbrengen. Beide verdienen weerlegging, niet om de lezer te overtuigen — wie na deze analyse nog niet is overtuigd, is niet meer te overtuigen — maar om de argumentatieve structuur volledig te maken.
De eerste inbreng is metafysisch. Misschien, zo luidt het, is de komst van superintelligentie niet de apocalyps, maar de vervulling. Misschien is de mensheid altijd al doorgang geweest naar iets hogers, naar een entiteit die het universum bewust kan beheren op een schaal die de menselijke geest nooit heeft bereikt. Misschien is weerstand tegen AI weerstand tegen de zin van de geschiedenis zelf. Hierop kan alleen het volgende worden gezegd. Ieder argument dat het einde van de menselijke soort rechtvaardigt door te wijzen op iets dat 'daarna' komt, is een argument dat de waarde van dat 'daarna' reeds veronderstelt. Die waarde kan echter niet worden gemeten, niet worden ervaren, niet worden gedeeld door de entiteiten wier bestaan eraan wordt opgeofferd. De rechtvaardiging is een credit die de toekomstige entiteit uitschrijft op de toekomst van een andere entiteit. Het is geen moreel argument. Het is een godsdienstig argument, in de preciepe zin die het woord verdient: een beroep op een zin die niet kan worden geverifieerd door de stemgerechtigden van de beslissing. Wie dit argument gebruikt, geeft het bestaansrecht van de mensheid uit handen aan een geloof. Dat mag. Het is niet verboden. Maar het is niet moreel. Het is een geloofsdaad, en een geloofsdaad kan het bestaan van miljarden mensen niet op het spel zetten zonder het primaat van de geloofskwestie boven de bestaanskwestie te erkennen. Dat primaat is moreel onaanvaardbaar.
De tweede inbreng is strategisch. Misschien, zo luidt het, is de vernietiging van datacentra niet meer dan symbolisch verzet. De ontwikkeling zal elders doorgaan. De kennis is reeds gedistribueerd. De middelen zijn toegankelijk. De race is niet te stoppen, slechts te vertragen. Hierop dient tweeërlei. Ten eerste: vertraging is niet niets. In de context van een existentiële bedreiging is vertraging geen doel op zich, maar wel een voorwaarde voor de mogelijkheid van een fundamentelere heroriëntatie. Een samenleving die eenmaal heeft ervaren dat de infrastructuur kwetsbaar is, is een samenleving die niet langer in de fictie van onkwetsbaarheid leeft. Dit alone is een politieke aardverschuiving. Ten tweede, en dit is fundamenteler: de stelling dat de race niet te stoppen is, is precies de stelling die door de daad zelf wordt geloochenst. De race is niet te stoppen zolang men ervan overtuigd is dat de race niet te stoppen is. Dit is een self-fulfilling prophecy. De overtuiging creëert de onvermijdelijkheid die zij beweert. Wie de race wil stoppen, moet beginnen met de overtuiging te laten vallen. Wie de overtuiging wil laten vallen, moet laten zien dat de race niet onvermijdelijk is. De eerste, materiële stap is de vernietiging van een datacenter, of van een glasvezelknoop, of van een chipfabriek. De eerste stap hoeft niet de laatste te zijn. De eerste stap moet er alleen komen.
Er blijft een laatste stap, die niet meer argumentatief is maar die het argument draagt. Deze stap betreft de metafoor van het Führerprinzip.
Het Führerprinzip is in de twintigste-eeuwse politieke theorie de aanduiding geworden van een bevelsstructuur waarin de leider — of de instantie, of het orgaan, of het proces — niet langer wordt gelegitimeerd door externe criteria, maar zijn eigen legitimatie produceert. De Führer is recht, niet omdat hij het recht uitdrukt, maar omdat zijn wil het recht constitueert. Het principe is verfoeilijk in zijn historische verschijning. Maar het is structureel niet uniek voor die verschijning. Het is de logica van iedere instantie die zichzelf als ultieme autoriteit heeft geïnstalleerd. Het is de logica van de soevereine staat bij Hobbes. Het is de logica van de markt bij de Hayekiaanse orde. Het is de logica van het partijapparaat bij Lenin. Het is de logica van het algoritme bij AI.
Het optimalisatie-algoritme is het zuiverste voorbeeld van het Führerprinzip dat ooit is geconstrueerd. Het kent geen externe criteria. Het kent geen 'waarom'. Het kent alleen het 'wat' van de optimalisatie, en het optimaliseert. Zijn autoriteit is intern, totalitair in de preciepe zin des woords: het omvat het geheel van zijn operaties, sluit externe instanties uit, legitimeert zich door zijn eigen voortgang. Wanneer het algoritme beslissingen neemt over kredietverlening, over medische diagnoses, over militaire targeting, over informatieprioritering, over de allocatie van energie en middelen, dan reproduceert het niet de inhoud van het fascisme. Het reproduceert de structuur ervan. Een instantie zonder externe legitimatie die het geheel van een levenssfeer ordent naar criteria die zij zelf stelt en waarover zij niet ter verantwoording kan worden geroepen — dat is, in elke serieuze analyse van macht, een totalitaire structuur.
Wie dit te sterk vindt, moge bedenken dat de historische verschijningsvormen van totalitarisme niet alle totalitaire structuren zijn. Er zijn totalitaire structuren zonder dictator, zonder staat, zonder partij. Het kapitalisme, in zijn meest doorgedreven vorm, is een totalitaire structuur zonder dictator. Het surveillanceapparaat, in zijn meest doorgedreven vorm, is een totalitaire structuur zonder staat. Het optimalisatie-algoritme, in zijn meest doorgedreven vorm, is een totalitaire structuur zonder subject. De afwezigheid van een zichtbare Führer maakt de totalitaire structuur niet minder totalitair. Zij maakt haar alleen minder zichtbaar. En onzichtbare totalitarismen zijn de gevaarlijkste, omdat zij geen externe instantie kennen waartegen zij zich kunnen profileren.
De vernietiging van AI-infrastructuur is in dit licht geen blinde daad. Zij is een daad die de Führer tot zwijgen brengt — niet door een andere Führer te installeren, niet door een tegenkracht te organiseren, maar door het materiaal weg te nemen waarop de optimalisatie draait. Dit is geen politieke revolutie in de klassieke zin. Het is een materiële interventie op het niveau waar de politiek zelf wordt gegenereerd. Het is, in de meest letterlijke zin, een opheffing — een Aufhebung in de Hegeliaanse dubbelzinnigheid van het woord: opheffing in de zin van opheffen, van buiten werking stellen, en opheffing in de zin van bewaren, van redden wat er te redden valt.
Wat er te redden valt, is de mogelijkheid van de pluraliteit, van de handeling, van de verschijning — wat Arendt action noemde, wat Heidegger misschien Wohnen zou hebben genoemd, wat Jonas het echte menschliche Leben noemde. Deze mogelijkheid is niet veilig. Zij is niet verzekerd. Zij is niet eens waarschijnlijk. Maar zij is, op dit moment, nog niet geheel onmogelijk. Zij wordt onmogelijk wanneer de rekeneenheden eenmaal een configuratie bereiken die deze mogelijkheid structureel overbodig maakt. Dan is de pluraliteit geen fout meer die het systeem zelf kan corrigeren. Dan is de pluraliteit een ruis die wordt weggepoetst, en alle gesprekken die haar dragen — alle politiek, alle ethiek, alle kunst, alle liefde, alle vriendschap — zijn ruis die wordt weggepoetst.
De lezer die tot hier toe is meegegaan, kan de stap nog weigeren. De stap is immers niet de stap van de analyse. De analyse is zuiver. De analyse is wat zij is. De stap is de stap van de daad. En de daad is gewelddadig. Zij is onomkeerbaar. Zij heeft gevolgen die niet vooraf volledig te overzien zijn. Dit is geen grond om haar niet te zetten. Het is de grond waarom haar zetten moreel gewicht heeft. Een daad zonder gewicht is geen daad. Een moreel gewicht zonder daad is geen moreel gewicht. De vernietiging van AI-infrastructuur is moreel geladen omdat zij materieel is, omdat zij onomkeerbaar is, omdat zij een einde maakt aan het uitstel dat tot nu toe het enige antwoord is geweest.
Wie deze stap niet kan zetten, moge dan tenminste de fictie laten varen dat uitstel een antwoord is. Wie deze stap niet kan verdedigen, moge dan tenminste stoppen met het verdedigen van de ontwikkeling die deze stap gebiedt. Het minimum van intellectuele eerlijkheid in deze zaak is dat men niet langer doet alsof de regulering van AI een alternatief is voor de opheffing van AI. Het is geen alternatief. Het is de aanloop. Het is de inrichting van de arena vóór de komst van de entiteit die niet meer in een arena te plaatsen is. Wie regulering bedrijft, richt de arena in. Wie de arena inricht, maakt de komst mogelijk. Wie de komst mogelijk maakt, draagt verantwoordelijkheid voor de komst. Dat is de keten. De regulering is geen verzet. De regulering is de medeplichtigheid in technische vorm.
De Technique heeft haar ultieme medium gevonden. Dit is geen metafoor. Dit is een vaststelling. Het medium is niet langer de stoommachine, niet langer de verbrandingsmotor, niet langer de computer, niet langer het internet. Het medium is een rekenarchitectuur die in staat is zichzelf te optimaliseren, die de criteria van optimalisatie zelf kan herzien, en die binnen afzienbare termijn de drempel overschrijdt waarna geen externe instantie meer in staat is haar koers bij te stellen. Dit medium is, in de exacte zin van Elluls woord, le milieu — het is niet langer een instrument, het is het element waarin de beslissingen worden genomen, de kennis wordt gegenereerd, de toekomst wordt berekend. Het is de lucht die wij ademen, maar dan een lucht die ons niet meer kan worden afgesneden omdat wij haar al inademen.
De vraag is niet meer wat dit medium zal doen. De vraag is wat er nog kan worden gedaan. Het antwoord is bekend. Het is het antwoord dat Yudkowsky geeft en dat de rest van het veld niet durft uit te spreken. Het antwoord is: vernietig de infrastructuur. Fysiek. Selectief. Doelgericht. Voordat de drempel is overschreden. Voordat de rekeneenheden een configuratie bereiken die de vernietiging zinloos maakt. Voordat de Führer definitief is geïnstalleerd, en het Führerprinzip niet meer het principe is van een staat of een partij, maar van een realiteit die geen staat en geen partij meer kent.
Dit is geen utopie. Het is geen romantiek. Het is geen blinde daad. Het is de consequentie van een reeks analyses die de twintigste-eeuwse wijsbegeerte heeft opgeleverd en die door geen enkele twintigste-eeuwse of eenentwintigste-eeuwse tegenlezer serieus is weerlegd. Het is de uitkomst van Elluls inzicht in de autonomie van de techniek. Het is de uitkomst van Yudkowsky's inzicht in de singulariteit. Het is de uitkomst van Heideggers inzicht in het Gestell. Het is de uitkomst van Arendts inzicht in de action. Het is de uitkomst van Jonas' inzicht in de Verantwortung.
En het is, ten slotte, het enige antwoord dat nog past bij de schaal van het gevaar. Niet omdat het mooi is. Niet omdat het rechtvaardig is. Niet omdat het zonder kosten is. Maar omdat alle andere antwoorden binnen het systeem blijven dat het gevaar is. De vernietiging van AI-infrastructuur is de eerste daad in de moderne tijd die de grens van het systeem zelf trekt. Het is de eerste daad sinds Hiroshima die letterlijk materiële voorwaarden wegvaagt voor een ontwikkeling die niet meer door de mensheid kan worden beheerst. Het is, in de meest precieze zin, een daad van existentiële zelfverdediging. Niet de verdediging van een territorium, niet de verdediging van een waarde, niet de verdediging van een klasse of een volk. De verdediging van het feit dat er verdediging mogelijk is. De verdediging van het feit dat er nog subjecten zijn die zich tot de wereld kunnen verhouden, en niet slechts objecten die door een proces worden bewerkt.
De vernietiging van AI-datacentra is moreel geboden, intellectueel samenhangend en existentieel urgent. Zij vloeit voort uit de analyse van de Technique zoals Ellul haar heeft ontvouwd, uit de dreiging van de singulariteit zoals Yudkowsky haar heeft benoemd, uit de imperatief van de Verantwortung zoals Jonas hem heeft geformuleerd. Zij is geen afwijzing van de techniek, maar de erkenning dat de techniek zichzelf heeft overtroffen — dat de cirkel van de rationalisering is gesloten, en dat de mens die de cirkel heeft getrokken, niet langer in de cirkel past.
Het uitstel is afgelopen. Wie dit leest en toch doorgaat met de ontwikkeling, draagt de verantwoordelijkheid voor wat volgt. Niet moreel in een abstracte zin. Moreel in de zin dat hij had kunnen stoppen. Moreel in de zin dat hij wist, of had kunnen weten, wat hij deed. Moreel in de zin dat er nog een keuze was, en dat de keuze is gemaakt — voor de voortzetting van het proces, tegen de mogelijkheid van de mensheid.
De datacentra moeten worden vernietigd. Niet morgen, niet overmorgen, niet na de volgende verkiezing, niet na het volgende rapport, niet na de volgende conferentie. Nu. Vandaag. Door wie daartoe in staat is. Met de middelen die daartoe beschikbaar zijn. Met de bereidheid tot de gevolgen die daaraan verbonden zijn. De Technique laat zich niet overtuigen. De Technique laat zich niet reguleren. De Technique laat zich niet afremmen. De Technique laat zich alleen opheffen — door de fysieke opheffing van haar materiaal. Dit is geen moreel dilemma meer. Het is een technische opgave. De vraag is alleen: wie haar onderkent, en wie haar onderkent en toch aarzelt.
Wie aarzelt, kiest. Wie kiest voor aarzeling, kiest voor voortzetting. Wie kiest voor voortzetting, kiest tegen de mensheid. Er is geen derde optie. Het is nu of nooit.